Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Uitspraak



Vonnis van 29 oktober 2013

Zaaknummer: AR 81/2013

Vonnisnummer

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

VONNIS

in de zaak van

1. de naamloze vennootschap

ATLANTIS WORLD MANAGEMENT N.V.,

gevestigd te Sint Maarten,

2. de vennootschap naar vreemd recht

DAWN PROPERTIES LTD.,

gevestigd te Nevis, mede kantoorhoudende te Sint Maarten,

3. de vennootschap naar vreemd recht

INTERNATIONAL FINANCIAL PLANNING SERVICES LTD.,

gevestigd te Sint Maarten,

eiseressen,

gemachtigden: mrs. J. Veen en W.J. Nelissen,

tegen

de naamloze vennootschap

RBC ROYAL BANK N.V.,

gevestigd te Sint Maarten,

gedaagde,

gemachtigden: mrs. R.F. Gibson en M. Snijder.

Partijen zullen hierna respectievelijk Atlantis, DP, IFPS en RBC worden genoemd. Eiseressen zullen hierna gezamenlijk Atlantis c.s. worden genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift spoedeisende bodenprocedure van 29 mei 2013;

de conclusie van antwoord van 20 augustus 2013;

het op 19 september 2013 gehouden pleidooi.

de conclusie van dupliek van 17 september 2013.

Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

Atlantis is een managementbedrijf dat vier casino’s van de Atlantis groep op Sint Maarten beheert. Haar werkzaamheden bestaan onder meer uit het beheer van de omzet, het afdragen van belasting en het betalen van personeel en crediteuren van de Atlantis groep. Atlantis bankiert sinds 14 jaar bij RBC en heeft drie bankrekeningen bij RBC met nummers 622-886491, 622-42028272 en 622-42028264.

2.2

DP is eigenaresse van het winkelcentrum Paradise Mall te Sint Maarten. Haar werkzaamheden bestaan uit het incasseren van de huurpenningen van de huurders en het betalen van de bedrijfskosten ten behoeve van de exploitatie van de onroerende zaak. DP bankiert sinds 7 jaar bij RBC en heeft één bankrekening bij RBC met nummer 620-80024033.

2.3

IFPS beheert het bedrijvencomplex bij het Atlantis Casino te Cupecoy, Sint Maarten. Zij incasseert de huurpenningen en betaalt de bedrijfskosten ten behoeve van de exploitatie van de onroerende zaak. IFPS bankiert sinds 16 jaar bij RBC en heeft zeven bankrekeningen bij RBC met de nummers 620-645451, 620-645478, 622-42057272, 622-886912, 620-647691, 620-584673 en 620-645486.

2.4

In de tussen RBC en Atlantis c.s. toepasselijke Algemene Voorwaarden is onder meer als volgt bepaald:

“ (…) de Bank [kan] op elk moment een door een cliënt gehouden rekening sluiten na voorafgaand bericht aan de cliënt van een maand (…).”

en

“Zowel de cliënt als de Bank zijn te allen tijde bevoegd de relatie op te zeggen; de positie wordt alsdan zo spoedig mogelijk afgewikkeld. Termijnen zullen daarbij in acht worden genomen, indien en voor zover de aard van een transactie zulks meebrengt (…).”

2.5 [

C] (hierna: [C]) is indirect aandeelhouder van Atlantis c.s. en staat bij RBC geregistreerd als ‘beneficial owner’ van Atlantis c.s.

2.6

In 2012 en begin 2013 is [C] negatief in het nieuws geweest vanwege eventuele banden met de Italiaanse maffia en betrokkenheid bij strafrechtelijke gedragingen.

2.7

RBC heeft bij brief van 15 februari 2013 de bankrelatie met Atlantis c.s. opgezegd. In de – nagenoeg gelijkluidende brieven – staat onder meer vermeld:

“We write to advise you that our policy guidelines require us to risk assess our client portfolio on a regular basis. Regretfully at times, we are left with no other choice but to end longstanding relationships as a result of changed risk profiles which no longer fit our risk appetite.

After careful consideration, we advise that we are not in a position to maintain our banking relationship with you and accordingly, the (…) Account held by RBC Royal Bank will be closed (…). We recognize that you will need to seek alternative banking arrangements to meet your banking needs and request that you do so no later than the date of march 16th 2013 (“Termination Date”).”

2.8

Atlantis c.s. hebben tegen de opzegging doen protesteren.

2.9

Bij vonnis in kort geding van 5 april 2013, heeft dit Gerecht geoordeeld dat naar zijn voorlopig oordeel niet onaannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel komt dat een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging van de overeenkomsten bestaat, maar dat de wijze waarop RBC van haar opzeggingsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt de toets aan de redelijkheid en billijkheid niet kan doorstaan. Het Gerecht heeft (onder meer) bevolen dat de bankrelatie met Atlantis c.s. moet worden voortgezet tot maximaal één jaar na betekening van het vonnis.

3 De standpunten van partijen

3.1

Atlantis c.s. vorderen - zakelijk weergegeven - dat het Gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, RBC zal bevelen de bankrelatie met Atlantis c.s. te continueren en het gebruik van alle bankrekeningen van Atlantis c.s. op de gebruikelijke wijze voort te zetten, een en ander onder verbeurte van een dwangsom en RBC zal veroordelen in de kosten van het geding.

3.2

Atlantis c.s. hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat de kennelijk door RBC aan de opzegging ten grondslag gelegde vrees voor reputatieschade ongegrond is en dat RBC heeft gehandeld in strijd met de redelijkheid en billijkheid door na te laten om bij de opzegging de vereiste zorgvuldigheid toe te passen. Niet alleen is geen (goede) reden gegeven voor de opzegging, ook is Atlantis c.s. slechts een opzegtermijn van één maand gegeven en is hen geen overleg of hulp geboden om de bankrelatie met RBC te redden of tot en goed einde te brengen. Het opzeggen van de bankrelatie brengt onaanvaardbare gevolgen met zich, nu andere banken geen rekeningen voor Atlantis c.s. willen openen en zij daardoor niet (meer) kunnen deelnemen aan het economische verkeerd, aldus Atlantis c.s.

3.3

RBC heeft verweer gevoerd. Zij heeft aangevoerd dat zij niet de huisbankier is van Atlantis c.s. en dat Atlantis c.s. (dus) nog rekeningen aanhoudt bij (een) andere bank(en), dat een deel van de rekeningen niet of zelden wordt gebruikt en dat de voortzetting van de bankrelatie voor RBC tot een onacceptabel reputatierisico leidt.

3.4

Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover van belang – ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

Tussen partijen is niet in geschil dat de aan de bankrelatie tussen partijen overeenkomsten ten grondslag liggen die als duurovereenkomst moeten worden aangemerkt. RBC heeft de overeenkomsten opgezegd. Zij is daartoe op grond van haar algemene voorwaarden in beginsel bevoegd, maar die bevoegdheid wordt beheerst door de eisen van de redelijkheid en billijkheid.

4.2

Kern van het geschil is de vraag of RBC jegens Atlantis c.s. door het opzeggen van de overeenkomsten, en daarmee de bankrelatie, in strijd met de redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld.

4.3

Als uitgangspunt geldt dat voor de opzegging van de aan de bankrelatie ten grondslag liggende duurovereenkomsten in de concrete omstandigheden van het geval een voldoende zwaarwegende grond dient te bestaan. Daarbij moet enerzijds in ogenschouw worden genomen dat het voor rechtspersonen voor hun voortbestaan of functioneren van eminent belang is dat zij toegang hebben tot het bancaire systeem. Anderzijds moet de maatschappelijke functie van banken in het oog worden gehouden. Deze functie verlangt van de bank de grootst mogelijke integriteit, hetgeen onder meer meebrengt dat zij zich dienen te distantiëren van activiteiten die het daglicht niet kunnen verdragen. De maatschappelijke positie van de bank brengt echter ook mee dat zij een bijzondere zorgplicht heeft ten opzichte van haar cliënten en met de belangen van haar cliënten rekening houdt. De reikwijdte van die zorgplicht hangt af van de bijzondere omstandigheden van het geval. De relatie met haar cliënten kan slechts op grond van goede redenen en met toepassing van de vereiste zorgvuldigheid worden opgezegd. Bij de afweging of de reden tot opzegging voldoende zwaarwegend is in verhouding tot het belang van de cliënt bij de voortzetting van de relatie, moeten in beginsel het belang van de cliënt bij de beschikking over een bankrekening als meest zwaarwegende belang worden gezien. Het is aan de bank om gemotiveerd aan te tonen op welke gronden het belang van de cliënt dient te wijken voor het (integriteitsbelang) van de bank.

4.4

RBC heeft aan de opzegging van de bankrelatie met Atlantis c.s. ten grondslag gelegd dat sprake is van een ‘gewijzigd risicoprofiel’. In het kader van de onderhavige procedure heeft RBC dit nader toegelicht, aldus dat de voortzetting van de bankrelatie met Altantis c.s. vanwege de betrokkenheid van [C] bij Atlantis c.s. als indirect aandeelhouder en ‘beneficial owner’ een onaanvaardbaar reputatierisico oplevert voor RBC. Reputatierisico levert op zichzelf een voldoende zwaarwegende grond op voor opzegging. Dit hebben Atlantis c.s. ook niet betwist.

4.5

De vraag die dan voorligt is of in dit geval sprake is van het gestelde reputatierisico.

4.6

Ter adstructie van haar stelling dat sprake is van een reputatierisico, heeft RBC een aantal krantenartikelen overgelegd en aangevoerd dat [C] meermalen en ook nog zeer recentelijk negatief in het nieuws is geweest vanwege vermeende banden met de Italiaanse maffia, drugshandel, het witwassen van gelden via Sint Maarten, het betalen van steekpenningen en fraude en corruptie met betrekking tot leningen aan zijn bedrijven van de Banco Popolare di Milano. Voorts zijn meermalen arrestatiebevelen tegen [C] uitgevaardigd en bevindt hij zich thans in voorlopige hechtenis vanwege zijn vermoedelijke betrokkenheid bij de strafrechtelijke gedragingen met betrekking tot de Banco Popolare di Milano, aldus nog steeds RBC. Op grond van de door haar gehanteerde ‘Client Due Diligence’/’Compliance Policy Guidlines’ heeft RBC een risk assessment uitgevoerd en daaruit is naar voren gekomen dat Atlantis c.s. vanwege voormelde omstandigheden buiten de grenzen vallen van de risico’s die RBC wenst te aanvaarden. Voormelde omstandigheden leiden immers tot de gerechtvaardigde vrees voor reputatieschade als zij met [C] wordt geassocieerd, aldus nog steeds RBC.

4.7

Altantis c.s. hebben niet bestreden dat [C] negatief in het nieuws is geweest. Zij hebben dienaangaande echter gesteld dat [C] van alle blaam is gezuiverd nu het Tribunale Civile di Roma in haar arrest van 9 september 2011 heeft overwogen dat verwijzingen naar de maffia ten aanzien van [C] onterecht zijn en [C] volgens een faxbericht van de Italiaanse overheid van 3 augustus 2011 ‘van onbesproken gedrag’ is. Om die reden is de vrees voor reputatieschade dan ook ongegrond, aldus Atlantis c.s. Tevens geldt volgens Atlantis c.s. dat zij niet in relatie tot [C] in de media zijn genoemd en dat ook om die reden geen gevaar voor reputatieschade bestaat.

4.8

Dienaangaande geldt als volgt. Vast staat dat er negatieve publiciteit rond de persoon van [C] is geweest en dat die negatieve publiciteit ook nog recentelijk was (namelijk na opzegging van de relatie) en daarom nog steeds mogelijk is. [C] is uitgebreid en herhaaldelijk in de publiciteit gekomen vanwege onder meer zijn mogelijke banden met de Italiaanse maffia, het witwassen van gelden via Sint Maarten en een bankschandaal waarbij de Italiaanse bank Banco Popolare di Milano is betrokken. Gelet op (de aard van) deze negatieve berichtgeving en het feit dat - zoals RBC ook heeft betoogd - de vermoedelijke strafrechtelijke gedragingen mede op de relatie met en diensten van een andere bank zien, is naar het oordeel van het Gerecht de vrees voor reputatieschade terecht. Het risico dat negatieve beeldvorming ontstaat over de financiële betrokkenheid van RBC bij aan [C] gelieerde vennootschappen is immers niet denkbeeldig nu [C] de ‘beneficial owner’ en indirect aandeelhouder van Atlantis c.s. is en uit dien hoofde een financieel belang heeft bij Atlantis c.s. Dat de werkelijke betrokkenheid van [C] (nog) niet (in rechte) vast staat en/of is komen vast te staan, doet aan dit reputatierisico niet af. Ook de omstandigheden voorts dat, zoals Atlantis c.s. hebben gesteld, [C] van alle blaam is gezuiverd en volgens de Italiaanse overheid van onbesproken gedrag is, leidt niet tot een ander oordeel. Nadat deze uitspraak door het Tribunale Civile di Roma en de mededeling door de Italiaanse overheid in 2011 zijn gedaan, is [C] nog herhaaldelijk aangaande dezelfde verdenkingen negatief in het nieuws geweest.

4.9

Het vorengaande brengt mee dat de vrees van RBC voor reputatieschade gegrond is

en dat, nu RBC vanwege haar maatschappelijke verantwoordelijkheid haar financiële integriteit dient te bewaken, een zwaarwegende grond voor de opzegging van de bankrelatie bestaat. Dat, zoals Atlantis c.s. hebben betoogd, de negatieve berichtgeving ook in 2010 al aan de orde was en toen niet tot een opzegging heeft geleid, laat onverlet dat thans kennelijk de - zoals hiervoor is overwogen terecht getrokken - grens van het aanvaardbare voor RBC is bereikt.

4.10

Atlantis c.s. hebben gesteld dat de gevolgen van de opzegging voor hun onaanvaardbaar zijn en dat (zo begrijpt het Gerecht) om die reden hun belangen dienen te prevaleren boven het zwaarwegende belang van RBC bij de opzegging. Voor de exploitatie van hun ondernemingen zijn zij afhankelijk van het bancaire systeem en daarom moeten zij over bankrekeningen kunnen beschikken. Nu zij niet bij een andere bank op Sint Maarten terecht kan, betekent de opzegging door RBC de facto dat zij zijn gedwongen hun ondernemingen te sluiten, aldus Atlantis c.s.

4.11

Dienaangaande geldt als volgt. Ter onderbouwing van hun stelling dat zij niet bij een andere bank op Sint Maarten terecht kunnen, hebben Atlantis c.s. (als productie 5 bij inleidend verzoekschrift) een drietal brieven overgelegd van respectievelijk Banco di Caribe N.V. (hierna: BdC), The Windward Islands Bank (hierna: WIB) en CIBC FirstCaribean (hierna: CIBC). Met RBC is het Gerecht van oordeel dat deze brieven niet tot de conclusie kunnen leiden dat voor Atlantis c.s. niet de mogelijkheid bestaat om elders op Sint Maarten te bankieren. Zo is blijkens de inhoud van de brief van de BdC verzocht om een rekening te openen voor een andere vennootschap dan Atlantis c.s., is bij de WIB kennelijk een aanvraag gedaan om een rekening te openen voor casino’s en wordt in de brief van de CIBC vermeld dat een rekening kan worden geopend, mits ‘with income (credits) solely from resources of rental income/sale of loan assets and no other external sources of deposits’. Voorts geldt dat RBC, zoals zij onweersproken heeft aangevoerd, niet de huisbankier van Altantis c.s. is, Atlantis c.s. blijkens haar eigen stellingen ook bij een buitenlandse bank bankiert en dat Atlantis c.s., zoals zij ter gelegenheid van pleidooi desgevraagd hebben betoogd, door middel van het reorganiseren van hun ondernemingen alsnog bij andere banken op Sint Maarten zal kunnen bankieren. De (door RBC weersproken) stelling van Altantis c.s. dat zij niet ergens anders kunnen bankieren, treft dan ook geen doel.

4.12

Gelet op het voorgaande kan, anders dan Atlantis c.s. hebben gesteld, niet worden gezegd dat RBC voor Atlantis c.s. de enige toegang is tot het bancaire systeem. Nu voorts slechts van betaalrekeningen (waarvan een deel ongebruikt) sprake is en er geen kredietrelatie tussen RBC en Atlantis c.s. bestaat, dient, ondanks de lange duur van de bankrelatie en de omstandigheid dat zich binnen de bankrelatie nooit problemen hebben voorgedaan, het zwaarwegende belang van RBC bij opzegging van de bankrelatie te prevaleren. De opzegging was dan ook, gelet op een afweging van de wederzijdse belangen, gerechtvaardigd.

4.13

Voorts hebben Atlantis c.s. nog gesteld dat de wijze waarop RBC de bankrelatie heeft opgezegd, in strijd met de redelijkheid en billijkheid is, omdat zonder opgaaf van reden en overleg en met een veel te korte opzegtermijn is opgezegd. Ook deze stelling treft geen doel.

Met Atlantis c.s. is het Gerecht van oordeel is dat de opzegbrief slechts summierlijk is onderbouwd en dat het vanwege de op haar rustende bijzondere zorgplicht op de weg van RBC had gelegen om met Atlantis c.s. in overleg te treden over de afwikkeling van de bankrelatie en een langere opzegtermijn in acht te nemen. Nu het in dezen echter slechts om betaalrekeningen (en geen bijzondere financieringsconstructies) gaat en RBC, zoals zij onweersproken heeft aangevoerd, op eerste verzoek van Atlantis c.s. een nadere toelichting op de opzeggingsgrond had kunnen geven en in gesprek over de afwikkeling had willen treden, maar dat een dergelijk verzoek niet is gedaan, brengen voormelde omstandigheden in dit geval niet mee dat de wijze van opzegging zodanig onzorgvuldig is dat de opzegging van de bankrelatie daarom de toets aan de redelijkheid en billijkheid niet kan doorstaan.

4.14

Gelet op het voorgaande, is het Gerecht van oordeel dat de opzegging niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Dat betekent dat de vorderingen van Atlantis c.s. moeten worden afgewezen.

4.15

Atlantis c.s. zullen als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. Deze kosten worden tot op heden begroot op Nafl. 1.800,- aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

Het Gerecht in eerste aanleg:

5.1

wijst de vorderingen af;

5.2

veroordeelt Atlantis c.s. in de kosten van het geding, aan de zijde van RBC tot op heden begroot op Nafl. 1.800,-;

5.3

verklaart dit vonnis voor wat de proceskosten betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.M. Tijhuis, rechter in dit gerecht en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2013 in aanwezigheid van de griffier.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature